Er wordt in Nederland veel data over flora en fauna verzameld. Monitoring is een van de methode’s om inzicht te krijgen in de ontwikkeling daarvan. Sinds 2023 doe ik in Reimerswaal onderzoek naar de argusvlinder (Lasiommata megera). Dat betekent jaarlijks honderden uren in het veld, veel kilometers lopen en gebiedsdekkend tellen en nog eens tellen. Bezig zijn in de natuur verveelt nooit en geen dag is hetzelfde. Meten is weten, dus tijd om wat op papier te zetten.
Reimerswaal is een relatief smal gebied tussen de Ooster- en Westerschelde en kenmerkt zich door polders, dijken, natuur, landbouw en kleine kernen. Graslandvlinders komen hier nog vrij algemeen voor en ook de argusvlinder is wijdverspreid te vinden. De vlinder vliegt hier vanaf half april tot half oktober en vaak in drie generaties. De soort doet het in Nederland op zijn zachts gezegd niet goed. De trend is volgens de Vlinderstichting zorgwekkend. Reimerswaal is daarentegen een uitzondering gebleken. Veel plekken in de regio zijn steevast elk jaar bezet en jaarlijks worden meerdere populaties geteld. De lange strook zeedijken, vaak aaneengesloten, zijn favoriet. Nabijgelegen bloemrijke slootkanten zijn belangrijke foerageerplekken gebleken.
Een doelstelling van het onderzoek is zichtbaar maken hoe de populaties zich hier ontwikkelen. Het jaarlijks vaststellen van dichtheden geeft inzicht in de ontwikkeling en het leefgebied. Het juiste moment van tellen is van groot belang en zeer arbeidsintensief. De piekperiode’s zijn elk jaar verschillend van datum. Ook de telgebieden zien er niet altijd hetzelfde uit. Te vroeg of te laat tellen geeft lagere aantallen. Meerdere tellingen rond de piektijd maken het resultaat betrouwbaarder.
De nadruk ligt op het tellen langs dijken en taluds langs de Oosterschelde, Westerschelde en het kanaal van Zuid-Beveland. Deze dijken heb ik verdeeld in 14 teltrajecten en hebben een totale lengte van 16.700 meter. Elk teltraject heeft een minimale lengte van 1000 meter en een maximale breedte van enkele tientallen meters. Vooral langs de Oosterschelde telde ik de laatste jaren hoge aantallen. Ook bij Waarde, de voormalige Veerhaven in Kruiningen en het sluizencomplex in Hansweert worden goede populaties aangetroffen. Met name de generaties van 2024 en 2025 brachten veel imago’s. De telling van de eerste generatie in 2025 gaf totaal 473 imago’s. Gerekend over 16.700 meter dijk is dat één argusvlinder per 35 meter. In 2024 was dit gemiddelde nog iets beter. Deze score komt overeen met die van de vlinderstichting, met 12 tot 46 vlinders per hectare. Die cijfers stammen echter van lang geleden, toen de soort nog zeer algemeen voorkwam. Ook buiten de teltrajecten worden argusvlinders gezien. Deze waarnemingen zijn hier niet mee meegeteld.



De eerste generatie van 2026 geeft heel andere cijfers. Op hetzelfde traject werden slechts 88 imago’s geteld. Dat deze generatie het zoveel minder doet is opmerkelijk. Op één locatie lijkt een totale populatie verdwenen te zijn. Dit jaar leken de imago’s kleiner te zijn en de man/vrouw verhouding was sterk afwijkend met voorgaande jaren. Dit slechte resultaat komt niet geheel als verrassing, ondanks een milde winter en aangenaam voorjaar. Het najaar van 2025 was kurkdroog en veel dijken stonden er al vroeg dor en kaal bij. Hoewel de soort mobiel en opportunistisch is, moet vooral het totaalplaatje kloppen. Naast voldoende nectar en beschutte plekken zijn meerdere zaken belangrijk. Het tellen van veel imago’s is verheugend, maar het zijn vooral de rupsen die essentieel zijn voor het voortbestaan van de soort. Met onvoldoende vegetatie heeft de rups het aanzienlijk moeilijker in zijn groeifases.
Gefaseerd maaien is voor de argusvlinder belangrijk, vooral bij minder gunstige omstandigheden. De dijken in Reimerswaal worden helaas zelden gefaseerd gemaaid. Te zwaar begraasde of te kort gemaaide dijken in een droog najaar kunnen een nadelig effect hebben. Een warmteminnende soort als de argusvlinder gedijt op zeedijken met obstakels zoals hekken, trapjes, grotere graspollen en paden gemaakt door vee. Het aantal van de laatste telling was laag, maar de volgende generaties kunnen nog voor herstel zorgen.
In dit geval maak ik me nog geen zorgen. Fluctuaties zijn een bekend fenomeen voor kwetsbare soorten als dagvlinders. Af- of toename hoeft niet altijd iets te zeggen over habitat, beheer of weersomstandigheden. Natuurrapportage’s zijn vaak onderhevig aan ruis. In dit geval is niet bekend of predatie door vogels en andere insecten groot impact hebben gehad. Om alles af te schuiven op klimaatverandering gaat mij te ver. Misschien hebben dagvlinders meer aanpassingsvermogen dan we denken.
De soort heeft in Reimerswaal geen geïsoleerd voorkomen. De aaneengesloten dijken maken het populaties makkelijker om onderling uit te wisselen. Gevarieerde, bloemrijke dijken met veel structuur leverden de laatste jaren prachtige populaties op. Reimerswaal lijkt aan alle leefvoorwaarden te voldoen, maar slecht (maai)beheer en eenzijdige dijken door verruiging kunnen huidige populaties funest worden. Gefaseerd gaan maaien zal de soort zeker helpen. Het zoeken naar draagvlak en kennisoverdracht naar beheerders van dijken is een eerste stap. Reimerswaal als blijvend bolwerk voor de argusvlinder. Dat klinkt toch geweldig!
