Langs de Westerschelde, waar ik dagvlinders tel, kom ik overdag ook wel eens foeragerende nachtvlinders tegen. Zo ook tijdens een telling bij Waarde op 21 mei 2024, waar een heel klein wit-zwart lijkend vlindertje het wandelpad op vloog. Het leek een vliegend vogelpoepje. Dichterbij zie ik pas de variëteit aan kleuren die onder een bepaalde lichthoek lijken te glanzen. Het blijkt een bleekschouderuil (Acontia lucida) te zijn. Een nachtvlinder van de familie van de uilen (noctuidae). Deze staat voor Nederland en België te boek als trekvlinder, met status zeer zeldzaam. Volgens de Vlinderstichting is de soort wijdverspreid in Azië, Noord Afrika en Zuid Europa. Het uiltje vliegt in twee generaties en overwintert als pop in een stevige cocon in de grond. Ze hebben een voorkeur voor warme en droge streken.
Een week later bezoek ik de eerdere vindplaats opnieuw. Daar aangekomen vliegt een groep van zo’n 120 spreeuwen op. Benieuwd of de ‘vogelpoep’ camouflage geholpen heeft, zoek ik het talud af. Helaas, geen bleekschouderuiltje te zien. Ik loop het pad naast het talud verder af en zo’n 600 meter verder zie ik een bleekschouderuiltje opvliegen. Ondanks gerichter zoeken zie ik ze dat jaar niet meer. Het blijft bij totaal twee waarnemingen.
Het jaar daarop in augustus vind ik op dezelfde lokatie wederom twee verschillende imago’s. De soort zie ik in augustus ook kilometers verderop langs de Westerschelde richting Rilland. Over een afstand van ongeveer 400 meter talud tel ik totaal zes imago’s foeragerend naar nectar op bezemkruiskruid en kaasjeskruid. Opnieuw blijkt van dichtbij hoe mooi getekend deze nachtvlinders zijn, met hun contrastrijke vleugels en indrukwekkende cape. Sommige vlinders lijken de vorm van het infinity teken op hun vleugels te hebben. Ruim twee weken later tel ik er nog steeds zes. Gekeken naar die waarnemingen zouden imago’s minimaal drie weken oud kunnen worden. Best logisch voor een trekkende soort. Richting Bath, langs de Turfplaten, telde ik ook nog één imago.



Er is nog geen hard bewijs dat de voortplantingscyclus van deze soort een winter in Zeeland kan overleven. Vanaf 2022 worden er jaarlijks meerdere aantallen gezien in het Hellegatsschor bij Ossenisse (bron: waarneming.nl). Om van een populatie te kunnen spreken moet een groep individuen zich ter plaatse succesvol voortplanten gedurende meerdere generaties. Of we inmiddels al kunnen spreken over (definitieve) vestiging langs de Westerschelde, is voor de wetenschap wellicht nog te vroeg. Dat de soort jaarlijks in meerdere aantallen in dezelfde gebieden gezien wordt, doet vermoeden dat het niet meer alleen een trekvlinder is. Door klimaatopwarming vestigen ook andere insectensoorten zich in Nederland. Of bovenstaande besproken exoot dat ook gaat doen is een interessant vraagstuk. Welke gevolgen die nieuwe soorten uiteindelijk teweeg kunnen brengen, is zeker onderzoek waard. Het blijvend inventariseren van biodiversiteit kan mogelijk cruciaal zijn voor zowel de natuur als de mens.
Het bleekschouderuiltje staat ook dit jaar weer op mijn agenda. Tenslotte moet een mens wat te doen hebben….al is het maar voor de wetenschap.
